Op één van mn zoektochten naar het licht trof ik in een donkere tochtende kelder een klein tenger meisje aan.
Ze zat met opgetrokken benen bibberend van angst in een hoek van de kelder.
Gekleed in een haveloos hemd, slierterig haar en een gapende wond ter hoogte van haar hart.
Voorzichtig probeerde ik te vragen hoe ze heette.
'Gaat je niks aan' snauwde ze terwijl ze me met vuurspuwende ogen aankeek en ik deinsde geschrokken terug.
Vertwijfeld vroeg ik me af wat ik nu het beste kon doen.
Hoe fel ze ook gereageerd had zojuist, weglopen kon ik niet.
Iets in haar raakte me tot op het bot, ze straalde iets sereens uit, zo puur.
Ik voelde een diep gevoel van eerbied in me opkomen.
Ze keek me heel even aan.
Net lang genoeg om te zien dat het vuur in haar ogen had plaatsgemaakt voor een blik van diepe ontreddering.
Ik vroeg haar of ik even bij haar mocht komen zitten, ze antwoordde niet noch protesteerde.
Ik ging zitten en zocht een manier om contact te maken met dit meisje.
Ik begon te babbelen over hoe oneerlijk ik het vond dat mensen geen rekening houden met anderen, over hoe gemeen sommige mensen konden zijn en dat ik zo graag meer liefde wilde in de wereld.
Bibberend van angst en woede schreeuwde ze dat niemand te vertrouwen was en dat ze het verdiende om stom te zijn , niemand vond haar immers leuk!
En niemand mocht weten dat ze bestond want dan zouden ze haar halen en kapot maken.
Geschrokken sloeg ik een arm om haar heen.
Ze keek me argwanend en dankbaar tegelijk aan en barstte in tranen uit.
Snikkend zei ze: 'ik voel me zo alleen, niemand ziet me, ik heb zo'n pijn'.
Geraakt zei ik haar, 'ik ben bij je, je bent niet meer alleen en ik zal voor je zorgen'.
Schuchter kroop ze op mn schoot en ze huilde en huilde en huilde terwijl ik haar zachtjes heen en weer wiegde.
'Weet je', zei ik tegen haar, 'nu ik je eenmaal gevonden heb wil ik je niet meer kwijt'.
'Echt niet?' vroeg ze, en ze keek me verbaasd aan met haar rode ogen.
'Echt niet' zei ik.
'Maar' vroeg ze nog wat aarzelend, 'hoe heet je dan eigenlijk?'
'Wij lief meisje, delen dezelfde naam' antwoorde ik haar met een brok in mn keel.
Met grote ogen vol blijdschap keek ze me aan en vloog me spontaan om de hals.
Huilend en lachend omhelsden we elkaar stevig, blij dat we elkaar weer gevonden hadden.
Hand in hand liepen we de donkere kelder uit, op weg naar het licht.
Ze zat met opgetrokken benen bibberend van angst in een hoek van de kelder.
Gekleed in een haveloos hemd, slierterig haar en een gapende wond ter hoogte van haar hart.
Voorzichtig probeerde ik te vragen hoe ze heette.
'Gaat je niks aan' snauwde ze terwijl ze me met vuurspuwende ogen aankeek en ik deinsde geschrokken terug.
Vertwijfeld vroeg ik me af wat ik nu het beste kon doen.
Hoe fel ze ook gereageerd had zojuist, weglopen kon ik niet.
Iets in haar raakte me tot op het bot, ze straalde iets sereens uit, zo puur.
Ik voelde een diep gevoel van eerbied in me opkomen.
Ze keek me heel even aan.
Net lang genoeg om te zien dat het vuur in haar ogen had plaatsgemaakt voor een blik van diepe ontreddering.
Ik vroeg haar of ik even bij haar mocht komen zitten, ze antwoordde niet noch protesteerde.
Ik ging zitten en zocht een manier om contact te maken met dit meisje.
Ik begon te babbelen over hoe oneerlijk ik het vond dat mensen geen rekening houden met anderen, over hoe gemeen sommige mensen konden zijn en dat ik zo graag meer liefde wilde in de wereld.
Bibberend van angst en woede schreeuwde ze dat niemand te vertrouwen was en dat ze het verdiende om stom te zijn , niemand vond haar immers leuk!
En niemand mocht weten dat ze bestond want dan zouden ze haar halen en kapot maken.
Geschrokken sloeg ik een arm om haar heen.
Ze keek me argwanend en dankbaar tegelijk aan en barstte in tranen uit.
Snikkend zei ze: 'ik voel me zo alleen, niemand ziet me, ik heb zo'n pijn'.
Geraakt zei ik haar, 'ik ben bij je, je bent niet meer alleen en ik zal voor je zorgen'.
Schuchter kroop ze op mn schoot en ze huilde en huilde en huilde terwijl ik haar zachtjes heen en weer wiegde.
'Weet je', zei ik tegen haar, 'nu ik je eenmaal gevonden heb wil ik je niet meer kwijt'.
'Echt niet?' vroeg ze, en ze keek me verbaasd aan met haar rode ogen.
'Echt niet' zei ik.
'Maar' vroeg ze nog wat aarzelend, 'hoe heet je dan eigenlijk?'
'Wij lief meisje, delen dezelfde naam' antwoorde ik haar met een brok in mn keel.
Met grote ogen vol blijdschap keek ze me aan en vloog me spontaan om de hals.
Huilend en lachend omhelsden we elkaar stevig, blij dat we elkaar weer gevonden hadden.
Hand in hand liepen we de donkere kelder uit, op weg naar het licht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten